Pesten is een vorm van zinloos geweld waar helaas iedereen weleens mee te maken heeft gehad. Let wel: plagen is niet hetzelfde als pesten. Plagen gaat tussen twee mensen die elkaar aankunnen en zich kunnen verdedigen. Het geplaag duurt meestal kort en is vriendelijk of zelfs grappig bedoeld.
We spreken over pesten als een van de twee kinderen zich niet of moeilijk kan verdedigen. De pester heeft alle macht. Pesten komt steeds weer terug en is kwetsend bedoeld. Het heeft een enorme impact en kan een kind voor het leven beschadigen. Door de opkomst van social media zijn de gevolgen van pesten nog groter geworden.

Op het Rodenborch-College streven we ernaar een klimaat te scheppen waarin geen ruimte is voor pesten. Wij geloven daarbij dat voorkomen beter is dan genezen. Tijdens het kennismakingskamp voor de brugklassers proberen wij meteen een beeld te krijgen hoe ieder kind functioneert in de groep. En alle leerlingen in de onderbouw doen mee aan project GOED!. Tijdens dit project krijgen leerlingen zelf een beeld van hun rol in een groep en de gevolgen daarvan.

Mocht er toch sprake zijn van pestgedrag, dan stimuleren wij om dit zo snel mogelijk te melden bij de mentor of de vertrouwenspersoon. Daarbij hanteren wij het volgende pestprotocol:
Uitgangspunten
Van een docent wordt verwacht dat hij/zij:

  • als pesten beschouwt alle gedrag dat door de gepeste beleefd wordt als pesten;
  • ervan uitgaat dat pesten een regelmatig voorkomende gedragsuiting is, waar alle betrokkenen (gepeste, pester, groep/klas en ook de volwassene) invloed op kunnen hebben en van kunnen leren;
  • degene die gepest wordt, stimuleert tot weerbaarheid, d.w.z. tot het nemen van stappen die leiden tot het stoppen van pestgedrag;
  • degene die pest helpt zich bewust te worden van de effecten van zijn gedrag;
  • de toeschouwers erop wijst dat zij hun invloed kunnen aanwenden om pesten te stoppen;
  • leerlingen (zowel gepeste, toeschouwer als dader) helpt bij het ontwikkelen van alternatief gedrag.

Protocol

  1. Een leerling wendt zich tot een docent en zegt dat hij zich gepest voelt door een medeleerling of een docent signaleert dat een leerling door een medeleerling wordt gepest. Een docent kan ook een signaal krijgen van iemand uit de omgeving van de leerling (bijvoorbeeld van een ouder of een medeleerling). De docent informeert de mentor. Zij bepalen wie van de twee met de leerling verder in gesprek gaat.
  2. De docent/mentor probeert door middel van een individueel gesprek met de leerling vast te stellen op welke wijze de leerling wordt gepest.
  3. De docent/mentor vraagt de leerling of hij mogelijkheden ziet het pestgedrag van de ander te stoppen. Als de leerling dat niet ziet, stelt de docent/mentor een gesprek voor tussen de gepeste en de dader met de docent/mentor als bemiddelend gesprekspartner. Als de docent de gesprekspartner van de leerling was, brengt hij verslag uit aan de mentor van de leerling. De afspraken worden vastgelegd in het leerlingendossier en zo nodig doorgegeven aan alle vakdocenten.
  4. Indien de leerling kenbaar maakt dit gesprek niet te willen, biedt de docent aan de zaak over te dragen aan de mentor. Als de mentor de gesprekspartner was, draagt hij de zaak over aan de aandachtsvelder begeleiding uit het betreffende team.
  5. De mentor of de aandachtsvelder begeleiding maakt een inschatting van de situatie en overlegt zo nodig met een van de leerlingbegeleiders. Daarna wordt gekozen voor een van de volgende manieren van aanpak:
    • een gesprek met de gepeste waarin de mentor de gepeste helpt zelf de oplossingen voor zijn probleem te vinden;
    • een gesprek met gepeste en pester met de mentor als bemiddelaar;
    • een gesprek met meerdere leerlingen uit de groep/klas waarbij alle rollen besproken worden; met name de ‘toeschouwers’ worden uitgedaagd een actievere rol te vervullen.
    • afzonderlijke gesprekken met gepeste en pester, waarin beiden gestimuleerd worden om ander gedrag te gaan vertonen en de mentor nagaat of er extra zorg nodig is.
  6. De mentor bespreekt met de leerling het informeren van de ouders en de vakdocenten.
  7. Zo nodig organiseert de mentor in overleg met een leerlingbegeleider extra begeleiding.

De mentor/aandachtsvelder begeleiding legt schriftelijk de gemaakte afspraken vast: de afspraken worden aan het leerlingvolgsysteem (LVS) toegevoegd en gecommuniceerd met belangrijke betrokkenen. Tevens wordt door de mentor vastgelegd dat de situatie na een bepaalde periode geëvalueerd wordt.